
Toetreding Turkije tot de Europese Unie - Hoofdinhoud
In oktober 2005 begon de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen met Turkije. Er is geen toetredingsdatum vastgelegd en het staat daardoor nog niet vast of Turkije daadwerkelijk tot de EU zal toetreden. Een eventuele toetreding is afhankelijk van de vorderingen van de regering van Turkije met het doorvoeren van hervormingen die diverse belangrijke facetten van de Turkse samenleving bestrijken.
Enkele EU-landen zijn fel tegen toetreding van Turkije. In het bijzonder Frankrijk verzet zich, onder andere omdat het grootste gedeelte van het land buiten de geografische grenzen van Europa valt. Het Franse verzet uitte zich voornamelijk in het blokkeren van onderhandelingen over bepaalde beleidsterreinen en het laten schrappen van het woord "toetreding" in een onderhandelingsdocument van de EU. Turkije wil graag de voordelen van toetreding tot de Europese Unie benadrukken, mits het land ook echt welkom is.
Het Europees Parlement is van mening dat er enkele sleutelkwesties zijn, die de toetreding van Turkije vertragen. De Turkse grondwetswijziging in 2010 beschouwen de Europarlementariërs als een 'stap in de goede richting'. Toch blijven een aantal 'uitdagingen' voor het land bestaan:
-
-
-
-burgerlijke vrijheden zoals de vrijheid van meningsuiting en van godsdienst.
-
-de positie van vrouwen
In oktober 2011 publiceerde de Europese Commissie haar nieuwe voortgangsrapportage over de toetreding van Turkije. Dit rapport laat zien dat Turkije goede vooruitgang boekt, maar dat het nog verdere hervormingen moet doorvoeren. Hierbij gaat het vooral om de implementatie van het recht van meningsuiting en het recht van godsdienst. Volgens de commissie heeft Turkije zich wel open gesteld voor onderhandelingen om de relatie met Cyprus te verbeteren. Daarnaast heeft Turkije de douane-unie nog steeds niet volledig geïmplementeerd. Economisch gezien gaat het wel goed met Turkije, want het land heeft een goed functionerende markt-economie.
Het Europees Parlement was in maart 2011 kritisch over de voortgang van de hervormingen, met name op het gebied van vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting.
Inhoudsopgave van deze pagina:
Turkije ligt geografisch gezien voor een klein deel op het Europese continent; het land maakt verder deel uit van Azië. De geschiedenis, de ligging en de grootte van Turkije wijken sterk af van de andere toetredingskandidaten. Toch heeft de Europese Unie Turkije toegelaten als kandidaat-lidstaat.
De EU hoopt dat wanneer de rechtsstaat en mensenrechten in het land worden gerespecteerd, Turkije een brug zal vormen tussen de EU en het Midden Oosten. Een duidelijke scheiding van kerk en staat is voor de Unie een belangrijke voorwaarde voor toetreding. Omdat de meerderheid van de Turkse bevolking moslim is, hoopt de Unie dat zij de wereld kan laten zien dat Europa verenigd wordt door diversiteit.
Sinds het einde van 2005 voldoet Turkije officieel aan de politieke criteria voor toetreding. Dit betekent niet dat de hervormingen op politiek gebied afgerond zijn. Zowel Turkije als de Europese Unie zijn zich ervan bewust dat het toetredingsproces langdurig is. Een toetredingsdatum is dan ook niet vastgelegd. Turkije is bovendien nog ver verwijderd van het halen van de andere toetredingscriteria. Het onderhandelingsproces wordt daarnaast geremd door verschillende tegenkrachten binnen Turkije.
De Europese Commissie heeft het toetredingsproces voor Turkije op drie pijlers gebaseerd. De eerste pijler omvat een samenwerking tussen de Unie en Turkije om hervormingen door te voeren. De tweede pijler wordt gevormd door de toetredingsonderhandelingen. De dialoog tussen de burgers van de lidstaten van de Europese Unie en Turkije vormt de derde pijler. De dialoog heeft als doel beide bevolkingsgroepen dichter bij elkaar te brengen.
Voor het Europees Parlement zijn er enkele kwesties die een eventuele Turkse toetreding nog in de weg staan. Met de grondwetswijziging van 2010 heeft Turkije een groot bezwaar voor toetreding weggehaald, maar deze problemen blijven een grote uitdaging voor Turkije:
-
-Het conflict met Cyprus: Turkije weigert nog steeds schepen en vliegtuigen uit Cyprus toe te laten.
-
-Het land zal zelfcensuur in de Turkse media moeten tegengaan. Momenteel kunnen journalisten bijvoorbeeld nog vervolgd worden als zij bewijsmateriaal publiceren van mensenrechtenschendingen in Turkije.
-
-De situatie van vrouwen zal verbeterd moeten worden. Het Europees Parlement is nog steeds bezorgd over het aantal eermoorden en gedwongen huwelijken in het land.
-
-Religieuze minderheden worden nog steeds niet voldoende beschermd in Turkije.
Kwestie-Cyprus
Het Turkse leger is nog op het noordelijke deel van het eiland gestationeerd en Turkije heeft EU-lidstaat Cyprus nog niet erkend. Bovendien weigert Turkije, ondanks gemaakte afspraken, nog steeds schepen en vliegtuigen uit Cyprus toe te laten, omdat de EU de toezegging om haar handelsembargo ten aanzien van Noord-Cyprus op te heffen nog steeds niet in de praktijk heeft toegepast.
Politieke hervormingen
Ook de relatief hoge corruptie is nog een knelpunt in de toetredingsonderhandelingen. Bovendien heeft het Turkse leger in Europese ogen nog te veel macht: eind september 2006 sprak het Europees Parlement zijn bezorgdheid uit over de aanhoudende en misschien zelfs toenemende rol van de strijdkrachten in de Turkse samenleving.
Het Europees Parlement besloot in september 2006 dat het erkennen van de 'Armeense genocide' (de dood van honderdduizenden Armeniërs in 1915) geen voorwaarde is voor het Turkse lidmaatschap, al gebruiken tegenstanders van de toetreding van Turkije dit argument zo nu en dan wel.
Economische hervormingen
Doordat in 2002 een vooruitstrevende regering werd gekozen, konden economische hervormingen goed doorgang vinden. Volgens de Europese Commissie heeft Turkije dan ook een goed functionerende markteconomie. Nijpende problemen waren in 2005 de kinderarbeid, de armoede en het begrotingstekort.
De vorderingen die Turkije gemaakt heeft bij het aanpassen van de wetgeving aan het Gemeenschapsrecht zijn nog beperkt. Een vrij verkeer van personen, kapitaal en goederen is nog niet tot stand gebracht. Een uitspraak van het Europees Hof voor Justitie in maart 2009 heeft het vrij verkeer van personen een stap dichterbij gebracht. In deze uitspraak zegt het Hof dat Turken die werkzaam zijn in de dienstensector geen visum nodig hebben voor de EU. De PVV en de VVD vrezen voor een toestroom van Turken die in Nederland zullen concurreren met bijvoorbeeld kappers en chauffeurs.
Ook is de wetgeving voor grenscontroles nog niet toereikend. Mocht Turkije toetreden tot de EU, dan gaat de Unie aan enkele politiek instabiele staten als Irak en Syrië grenzen. De bewaking van deze grenzen wordt dan een prioriteit.
In april 2008 zei toenmalig Eurocommissaris Olli Rehn (Uitbreiding) dat Turkije binnen 10 tot 15 jaar tot de EU zou kunnen toetreden, als het land de hervormingen voortzet. In december 2008 gaf hij vervolgens aan dat hij verwacht dat Turkije in 2009 grote stappen voorwaarts zou kunnen maken op weg naar het EU-lidmaatschap.
Uit de voortgangsrapportage 2009 kwam naar voren dat Turkije wel vooruitgang boekt, maar dat de hervormingen een tijd lang op een laag pitje hebben gestaan. De Commissie was blij dat Turkije werk had gemaakt van het aanpakken van culturele rechten voor minderheden. Met de twee belangrijke minderheidsgroepen in het land, Armeniërs en Koerden, was vooruitgang geboekt. Er was bijvoorbeeld een Koerdische tv-zender toegestaan door de Turkse autoriteiten.
Ook het Europees Parlement was in 2009 kritisch over de vorderingen van de politieke hervormingen. In de voortgangsrapportage die het Europees Parlement in februari 2009 heeft aangenomen, stelde parlementsrapporteur Ria Oomen-Ruijten (CDA) dat de Turkse maatschappij totaal anders moet zijn voor het land kan toetreden tot de Europese Unie.
In mei 2010 nam Turkije een belangrijke stap. De Turkse president Abdullah Gül zette zijn handtekening onder een wetsontwerp voor de hervorming van de Turkse grondwet. Daarmee wordt onder andere de macht van militairen, rechters en openbare aanklagers beperkt. In september 2010 werd het wetsvoorstel in een referendum aan het Turkse volk voorgelegd.
Ondanks een felle tegenstand van de oppositie tegen de hervormingsplannen en een poging het referendum te dwarsbomen via het behoudende constitutionele hof, sprak een meerderheid van 58% van de Turkse kiezers zich uit voor de wijzigingen aan de grondwet. Na bekendmaking van deze uitslag reageerde eurocommissaris Stefan Füle (Uitbreiding) positief en feliciteerde hij Erdogan met de behaalde overwinning.
Begin 2011 lieten de Europarlementariërs weten tevreden te zijn over de grondwetswijzigingen die Turkije heeft doorgevoerd. Ze noemden deze veranderingen 'een stap in de goede richting', maar benadrukten ook dat deze wijzigingen alleen nog niet voldoende zijn voor toetreding.
Het Europees Parlement toonde zich in maart 2011 bezorgd over de voortgang van de hervormingen en over de aanhoudende problemen in de relatie met Cyprus. Dit standpunt werd nog eens herhaald in het voortgangsrapport van 2011. Hierin deelde de Commissie mee dat Turkije wel vooruitgang heeft geboekt richting toetreding , maar dat verdere hervormingen nodig zijn. Deze hervormingen zullen vooral op het gebied van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst laats moeten vinden. Ook de bilaterale relatie met Cyprus moet verbeterd worden, al is de Commissie teleurgesteld dat hier geen schot in zit.
Ook de Europese Unie moet zich aanpassen aan de eventuele toekomstige toetreding van Turkije. Omdat de zetels binnen het Europees Parlement en de Europese Raad zijn gebaseerd op de bevolkingsomvang heeft de toetreding van Turkije gevolgen voor de machtsstructuren binnen de Unie. Turkije is namelijk een zwaargewicht op demografisch gebied.
Doordat de buitengrenzen van de Europese Unie naar het politiek gevoelige Midden-Oosten worden verschoven, zal de besluitvorming binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid aangepast moeten worden. Het Europees Parlement pleit tevens voor een betere samenwerking met Turkije op het gebied van terrorismebestrijding.
Ook binnen het landbouwbeleid en de Structuurfondsen zijn veranderingen nodig op financieel en institutioneel vlak. De Europese Unie moest in ieder geval haar financiële begroting tot 2014 vastleggen voordat de onderhandelingen met Turkije konden beginnen.
De Europese Unie heeft namelijk op verzoek van Frankrijk 'het vermogen van de Unie om nieuwe leden op te nemen, met handhaving van de dynamiek van de Europese integratie' als belangrijk criterium voor toetreding van de kandidaat-lidstaten gesteld. Voorkomen moet worden dat de toetreding van Turkije een te groot deel van de EU-begroting opslokt.
Al in 1963 werden de banden tussen Turkije en de Europese Economische Gemeenschap versterkt. In de zogenaamde Ankara-Overeenkomst werd vastgelegd dat Turkije op den duur lid mocht worden van de Europese Economische Gemeenschap.
Ook bood de Overeenkomst, die te scharen valt onder een hele reeks associatieverdragen die in de jaren zestig tussen de EEG en derde landen werden gesloten, de nodige economische voordelen. Deze voordelen vormden de basis waarop in 1995 een douane-unie tussen de Gemeenschap en Turkije werd ingesteld.
Turkije vroeg in 1987 het volledige lidmaatschap van de Europese Gemeenschap aan. De Europese Raad van regeringsleiders gaf daarna nogmaals aan dat Turkije op termijn mocht toetreden tot de Gemeenschap.
In 1999 werd Turkije officieel als kandidaat-lidstaat erkend door de Europese Raad. Er werd een gezamenlijke strategie ontwikkeld om Turkije zo goed mogelijk te helpen om te voldoen aan de toetredingscriteria. Turkije ontwikkelde zelf een nationaal plan om de wetgeving aan te passen aan de Gemeenschapsregels.
Het toetredingspartnerschap werd in 2003 herzien. Er werd een gedetailleerd plan toegevoegd om Turkije voor te bereiden op het lidmaatschap. Op 17 december 2004 gaf de Europese Raad aan dat de toetredingsonderhandelingen in oktober 2005 konden beginnen. De Raad had in diezelfde maand al geconcludeerd dat Turkije voldeed aan de politieke criteria voor toetreding. Intussen werd de eerste fase, het vooronderzoek voor de onderhandelingen, gestart.
In 2006 heeft de EU de korte- en middellangetermijnprioriteiten t.a.v. de noodzakelijke hervormingen herzien. Deze prioriteiten zullen de grondslag vormen voor de toekomstige evaluaties van de Europese Commissie.
Niet alle EU-lidstaten zijn enthousiast over een eventuele toetreding van Turkije. De Duitse bondskanselier Angela Merkel wil liever een geprivilegieerd partnerschap voor Turkije. Tijdens haar bezoek aan het land op 6 oktober 2006 heeft Merkel laten doorschemeren dat het volledige lidmaatschap voor Turkije nog niet vanzelfsprekend is. Ook Oostenrijk pleitte al in 2005 voor de mogelijkheid tot dit alternatief voor een volwaardig lidmaatschap van de Unie.
De Franse president Sarkozy heeft voorgesteld Turkije een alternatief partnerschap aan te bieden. In juni 2007 blokkeerde Frankrijk het openen van onderhandelingen met Turkije over de euro. Sarkozy sprak daarbij uit dat Frankrijk geen plek ziet in de EU voor Turkije. De Frans-Turkse verhoudingen kwamen in december 2011 verder onder druk door aanneming in de Franse Kamer van Afgevaardigden van een wetsvoorstel
Frankrijk, Oostenrijk en Polen hebben een referendum aangekondigd waarin de kiezer de gelegenheid krijgt zijn mening te geven. Cyprus heeft toegezegd met een veto een toekomstig toetredingsverdrag tegen te houden, wanneer Turkije het land niet erkent. Het lidmaatschap van Turkije kan alleen doorgaan als alle lidstaten van de EU daarmee instemmen. Ali Babacan, onderhandelaar namens Turkije, heeft al gezegd alleen genoegen te nemen met een volwaardig lidmaatschap.
Door de aanhoudende stroom van signalen dat Turkije niet welkom is, van zowel media als politici, daalt ook het enthousiasme in Turkije voor een lidmaatschap van de Unie.
Financiële steun vanuit de Europese Unie
Turkije ontvangt steun van de Europese Unie op basis van het 'Instrument for 'Pre-accession Assistance' (IPA), het voorbereidingsprogramma voor (potentiële) kandidaatlidstaten. Het IPA bestaat uit vijf onderdelen:
-
-Politieke transitie en het opbouwen van instituties
-
-Samenwerking met de EU over de grenzen heen
-
-Regionale ontwikkeling
-
-Aanpassing aan het sociaal beleid van de EU
-
-Plattelandsontwikkeling
De bijdrage die Turijke ontvangt in het kader van het IPA is gegroeid van ongeveer 500 miljoen euro in 2007 tot 780 miljoen in 2011. In 2012 zal de EU voor de vijf onderdelen samen 900 miljoen euro uitgeven.
In de periode 1996-2006 was Turkije opgenomen in het MEDA-programma, een Euro-Mediterraan Partnerschap dat technische en financiële steun bood om sociaal-economische hervormingen te bevorderen. Vanaf 2001 kreeg Turkije financiële steun van de Unie om het hervormingsprogramma te financieren.
Het geld ging toen vooral naar de ontwikkeling van overheidsinstituten, de infrastructuur en investeringen op het economische en sociale vlak. Na 2003 was er ook financiële ondersteuning om de verschillende hervormingsprogramma's gedecentraliseerd uit te voeren.In totaal heeft de Unie tussen 1996 en 2004 1,15 miljard euro geïnvesteerd in onder andere basisonderwijs, infrastructuur en economische hervormingen. In 2006 kreeg Turkije 500 miljoen euro aan zogenaamde pre-toetredingssteun.
Een democratisch en modern Turkije kan een belangrijke rol spelen bij verschillende grensoverschrijdende vraagstukken inzake energie, vervoer, grensbeheer en terrorismebestrijding.
Ook op economisch vlak kan Turkije van belang zijn voor de Europese Unie. De snelgroeiende bevolking vormt een enorme afzetmarkt voor de lidstaten van de Unie. Bovendien kent Turkije sinds 2002 een sterke economische groei.
De nieuwe oliepijplijn vanuit Bakoe in Azerbeidzjan naar Ceyhan in Turkije vindt de Europese Unie een belangrijke strategische ontwikkeling. Olie werd tot nu toe voornamelijk aangevoerd vanuit Rusland en Iran; de nieuwe pijplijn zorgt voor een grotere verspreiding van de aanvoer van olie naar de EU.
Tevens hoopt de Europese Unie dat Turkije een positieve invloed heeft op de ontwikkeling van democratische seculiere staten in het Midden-Oosten. Deze staten zouden een tegenwicht kunnen bieden aan de ontwikkeling van islamitisch fanatisme in de regio.
Daarnaast hoopt de Unie dat de toetreding van Turkije een positieve weerslag heeft op het buitenlands beleid van de EU met name als het gaat om instabiele regio's als het Middellandse-Zeegebied, het Midden-Oosten, de Kaukasus en Centraal-Azië.
In Nederland zijn de meningen over de toetreding van Turkije verdeeld. In de Tweede Kamer werd er vlak voor de start van de toetredingsonderhandelingen gedebatteerd over een eventuele toetreding. Er werden door verschillende partijen vragen gesteld en moties ingediend die de twijfel omtrent het starten van de onderhandelingen aangaven.
Zo voelden Kamerleden Van der Staaij (SGP) en Huizinga-Heringa (ChristenUnie) minister Bot van Buitenlandse zaken eind 2004 aan de tand over de godsdienstvrijheid binnen Turkije. Een motie op initiatief van Kamerlid Rouvoet (ChristenUnie) wilde dat de regering hamerde op de dialoog over de Armeense genocide. De motie werd door de Tweede Kamer aangenomen.
Een andere motie van Rouvoet, in samenwerking met Van der Staaij, wees op het tijdstip van de start van de onderhandelingen. Die waren volgens de Kamerleden te vroeg begonnen: de hervormingen waren nog niet ver genoeg gevorderd. Deze motie werd verworpen.
De Kamerleden Wilders (Groep Wilders) en Herben (LPF) dienden tijdens de discussie aan het eind van 2004 een motie in waarin zij stelden dat Turkije nooit lid mocht worden van de Unie. Zij zijn van mening dat het land door de ligging in Azië geen lid kan worden. Ook vonden zij de dominantie van de islam geen goede combinatie met de waarden van de Europese Unie. Deze motie werd verworpen.
In september 2005 nam de Tweede Kamer een motie van verschillende partijen aan over de relatie tussen Turkije en Cyprus. Hierin werd uitgesproken dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije meteen opgeschort moeten worden als Turkije Cyprus anders behandelt dan ander EU-landen, bijvoorbeeld door het weigeren van schepen of vliegtuigen uit Cyprus. Turkije kan geen lid worden van de EU zolang het Cyprus niet volkenrechtelijk erkent, aldus de motie.
In september 2006 stelde het onafhankelijk Kamerlid Van Schijndel in een motie voor de toetredingsonderhandelingen met Turkije af te breken zolang dat land de onderhandelingen over de toetreding niet te goeder trouw uitvoert. Gewezen werd op de vervolging van schrijvers en de weigering Cyprus te erkennen. Deze motie werd verworpen.
In navolging van toegezegde referenda in bijvoorbeeld Polen, Frankrijk en Oostenrijk, diende Wilders in 2006 een initiatief voor een Nederlands referendum in. Hij kreeg weinig steun uit de Kamer. De meeste facties vonden het voorstel mosterd na de maaltijd, aangezien de toetredingsonderhandelingen al waren begonnen. De CDA-fractie wees op de mogelijkheid van een referendum rond 2015-2020, wanneer een beslissing over de toetreding veel dichterbij zal zijn.
Intussen is er ook discussie onder een verdeelde Nederlandse bevolking over een eventuele toetreding van Turkije. Uit een enquête van de Nederlandse regering bleek dat een kleine meerderheid van de Nederlanders vindt dat Turkije niet thuishoort in de Unie. De meeste geënquêteerden vonden dat er een te groot verschil in welvaart was tussen Nederland en Turkije.

