
Europa en sport - Hoofdinhoud
Begin 2009 was in de media veel aandacht voor de voornemens van de Wereldvoetbalbond FIFA om een regel in te voeren die het aan voetbalclubs zou toestaan om maximaal vijf buitenlandse spelers in een elftal op te stellen. Deze '6+5 regel' zou het professionele voetbal moeten beschermen tegen de vergaande commercialisering van dit spel.
Probleem bij de invoering van de regel was echter dat zowel het Europees Parlement als de Europese Commissie fervent tegenstander van 6+5 zijn, omdat de principes van deze regel strijdig zijn met een van de basisregels van de Europese samenwerking: het vrije verkeer van personen. Ook in het verleden raakte de Europese Unie nogal eens betrokken bij discussies over sportreglementen. Naar aanleiding van het meest recente conflict daarom een terugblik om te bepalen of de EU en sport gezworen vijanden of potentiële bondgenoten zijn.
Inhoudsopgave van deze pagina:
De relatie tussen sport en de EU heeft zich in heden en verleden op twee manieren geopenbaard: aan de relatie kleven zowel sociaal-culturele als juridische aspecten.
De sociaal-culturele component vindt zijn wortels in een rapport dat in opdracht van de Europese Raad in 1984 werd opgesteld om het Europese integratieproces populairder te maken onder de bevolking. Sport werd in dit rapport bestempeld als een middel daartoe en daarom werden in de loop der jaren een aantal sportevenementen onder de vlag van de EU georganiseerd.
De agenda van deze eerste vorm van 'sportbeleid' verbreedde zich met de tijd en ging daardoor punten omvatten die variëren van het bestrijden van drugsgebruik en racisme tot het bevorderen van de lichamelijke gezondheid van de Europese burgers en het versnellen van de integratie van minderheden. Het laatste uitvloeisel hiervan is het Witboek Sport dat in juli 2007 door de Europese Commissie werd uitgegeven. Als bijlage werd aan dit Witboek een aantal concrete actiepunten toegevoegd in de vorm van het Pierre de Coubertin-actieplan.
De juridische dimensie is feitelijk begonnen in 1974, toen door twee Nederlandse motorgangmakers, Bruno Walrave en Noppie Koch, beroep werd aangetekend tegen regelgeving van de internationale wielerfederatie UCI waarin gesteld werd dat motorgangmakers alleen mochten werken voor wielrenners met dezelfde nationaliteit.
Walrave en Koch meenden dat de regels in strijd waren met het toenmalige Verdrag van Rome en in het bijzonder met het vrije verkeer van personen. Het Europees Hof van Justitie stelde hen uiteindelijk in het gelijk door uit te spreken dat "sport onder de bepalingen van het Europese Verdrag valt in zoverre als het een economische activiteit betreft". Professionele sportbeoefening kwam daardoor onder de justitiële invloed van Europa te staan.
Ondanks de hierboven beschreven tweedimensionale relatie tussen sport en Europa, was hier in de verschillende Europese Verdragen aanvankelijk weinig van terug te vinden. In de Verdragen van Rome en Maastricht en in de Europese Akte wordt met geen woord over sportaangelegenheden gerept. Met het Verdrag van Lissabon dringt sport nu echter door tot de basis van het EU-beleid: in dit verdrag zijn namelijk voor het eerst wél enkele sportparagrafen opgenomen.
Verdrag van Lissabon
In het Verdrag van Lissabon wordt heel concreet op twee plekken aan sport gerefereerd: in artikel 6 en in artikel 165. In artikel 6 wordt gesteld dat de Unie bevoegd is om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen. Hierna volgt een opsomming van beleidsterreinen waarop deze zinsnede van toepassing is en hier wordt voor het eerst ook verwezen naar "jongeren en sport". Met deze formulering doet de EU recht aan de bestaande Europese realiteit op het gebied van sport, al moet daarbij worden opgemerkt dat hiermee vooral op de sociaal-culturele aspecten wordt gedoeld.
Ook artikel 165 verwijst naar deze ondersteunende rol. Hierin wordt bijvoorbeeld gesteld dat de Unie bijdraagt aan de bevordering van de Europese inzet op sportgebied en dat zij daarbij rekening houdt met de specifieke kenmerken van sport, de op vrijwilligerswerk berustende structuren en de sociale en educatieve functie. In hetzelfde artikel wordt ook het sociale belang van sport in de Europese samenlevingen beklemtoond. In dit artikel wordt dus eveneens voornamelijk op sociaal-culturele doelstellingen ingezet.
Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw is de populariteit van professionele sportbeoefening wereldwijd en in de Europese Unie fors toegenomen. Vooral het voetbal won dusdanig veel aan belangstelling dat de economische waarde van sport flink toenam.
Door de steeds groter wordende media-aandacht voor het gebeuren konden transfervergoedingen en spelerssalarissen explosief groeien. Hierdoor gingen commerciële waarden steeds meer de wetten en regels van de sport bepalen en dreigt een complete scheefgroei in de sportieve wereld te ontstaan die niet zozeer op fysieke krachtsverschillen, maar eerder op financiële impulsen gebaseerd is.
In de ogen van met name de FIFA en de Europese voetbalbond UEFA wordt het tijd tegen de situatie op te treden en daartoe bedachten zij de 6+5 regel, die ervoor moet zorgen dat de sportieve wereld zichzelf beter kan reguleren en wapenen tegen de verlokkingen van de commercie.
De 6+5 regel
Aan de presentatie van deze regel ligt een zeer belangrijke uitspraak van het Europees Hof van Justitie uit 1995 ten grondslag. Deze uitspraak werd gedaan in het zogeheten Bosman-arrest, waarvan de totstandkoming maar liefst vijf jaar in beslag heeft genomen. In het arrest werd de vloer aangeveegd met regelgeving die de FIFA in samenwerking met de Europese Commissie had opgesteld om het aantal buitenlandse spelers te beperken. Het gaat dan om spelers met een andere nationaliteit dan die van de club waar zij onder contract staan. Het Hof bepaalde dat deze regels strijdig waren met het vrij verkeer van personen uit het Europees Verdrag. Onder druk van deze uitspraak moest de Europese spelersmarkt worden gevrijwaard van elke vorm van beperking op grond van nationaliteit.
Dit leidde ertoe dat in het afgelopen decennium de handel en de commercie vrij spel hebben gekregen en dat de menselijke en fysieke waarden in het voetbal ernstig ondergesneeuwd zijn geraakt. Met de 6+5 regel, die stelt dat hoogstens vijf spelers in de basiself van een clubteam van een buitenlandse nationaliteit mogen zijn, hopen de FIFA en de UEFA het tij te kunnen keren.
Het Europees Parlement en de Europese Commissie blijven echter vasthouden aan de principes van vrij verkeer en stellen dat de voetbalbonden met een andere oplossing moeten komen die wel met de Europese markt te rijmen is.
Al met al lijken de sportsector en de Europese Unie voorlopig vooral met elkaar te willen concurreren om invloed bij het opstellen van sportieve regelgeving.
Op 10 november 2011 heeft het Europees Parlement ingestemd met een voorstel dat tot doel heeft de Europese sportsector een echt 'Europese dimensie' te geven. Zo wil de EU doping uit Europese stadions weren. Ook moet er een internationale lijst komen van hooligans die moeten worden geweerd uit Europese stadions. De Europarlementsleden dringen in het voorstel aan op meer transparantie bij internationale transfers bij grote sportclubs. Ook wordt de clubs gevraagd zich te houden aan de immigratiewetten wanneer jonge spelers uit landen buiten de EU worden aangetrokken.
Begin december 2011 nam de Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport drie voorstellen aan. Deze hebben betrekking op omkoping in de sportwereld, vrijwilligers in de sport en de vertegenwoordiging en coördinatie van de positie van de EU tijdens de aankomende vergaderingen van het World Anti-Doping Agency (WADA). Op 2 februari 2012 heeft het Europees Parlement met de voorstellen ingestemd. In een resolutie vroeg het EP om betere coördinatie op Europees niveau om dopinggebruik, geweld in stadions, wedstrijdvervalsing en corrupte spelersmakelaars tegen te gaan.
Hieronder staat een aantal veel gehoorde argumenten in de discussie over Europa en Sport, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt de discussie boeiend, maar een oordeel niet eenvoudiger. Europa is wikken en wegen. Door op de links te klikken krijgt u meer informatie én nuancering.
Tip: Na het lezen van de argumenten kunt u zelf Uw reactie geven.
-
Europese regelgeving toepassen op nationale competities is zinloos
Het heeft geen enkele zin om te pleiten voor een toepassing van de regels van de Europese interne markt op competities die primair op nationale leest geschoeid zijn. Fysiek gezien wordt het merendeel van de wedstrijden binnen de nationale kaders gespeeld, waardoor het zwaartepunt van de sportactiviteiten nog altijd binnen grenzen van de verschillende lidstaten van de EU ligt. Tel daarbij op dat clubs, in tegenstelling tot bedrijven, zich ook niet vrijelijk kunnen bewegen binnen de Europese interne markt (AZ kan zich niet in Barcelona vestigen om aan de Spaanse competitie mee te doen) en je begrijpt dat het toepassen van Europese regels op nationale competities zinloos is: sport is het laatste bastion van nationalisme in Europa.
-
De FIFA en de UEFA moeten niet zo krampachtig vasthouden aan 6+5
In plaats van zich bezig te houden met het zoeken naar alternatieven voor de 6+5 regel kunnen de FIFA en de UEFA zich beter buigen over regelgeving die wel te verenigen valt met de basisprincipes van de Europese Unie. Nu gaat teveel tijd verloren aan het uitwerken van een plan dat reeds is afgeschoten. Het verder uitwerken van regelgeving in relatie tot salarisplafonds of het belonen van het opleiden van eigen spelers verdient de voorkeur en had in de tijd dat de experts van beide voetbalbonden zich bezighielden met 6+5 allang uitgewerkt kunnen zijn.
-
Europa moet zich niet bezighouden met sport
Europese integratie is primair op een economische leest geschoeid en dat moet zo blijven. Het is waanzin dat de EU meent het recht te hebben zich te kunnen bemoeien met zaken als sport en dat zowel op sociaal-cultureel als op juridisch gebied bemoeienis met dit onderwerp plaatsvindt. Sport heeft historisch gezien in Europa altijd buiten de kaders van de verschillende overheden kunnen opereren en om de Europese identiteit recht te doen zouden de Europese instanties er verstandig aan doen zich niet langer te mengen in sportieve aangelegenheden.
-
Het is goed dat in het Verdrag van Lissabon sportparagrafen zijn opgenomen
Het is een goede zaak dat in het Verdrag van Lissabon eindelijk twee sportparagrafen opgenomen zijn. Op deze manier kan de Europese Unie zich met het verdrag in de hand met sportieve regelgeving bemoeien. Dit doet meer recht aan de reeds bestaande situatie, waarin de Unie zich via andere beleidsterreinen alsnog met sportaangelegenheden inliet. Doordat nu in het Verdrag staat waartoe Europa wel en niet bevoegd is op sportief gebied, is bovendien duidelijker wat derden wel en niet van de EU mogen verwachten.
Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten, wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.

